School of scholen: wanneer gebruik je welk woord?
Twijfel je tussen school en scholen? Het verschil is eenvoudig: school is het enkelvoud en scholen is het meervoud. Je kiest dus de vorm die past bij het aantal scholen waarover je spreekt.
Wanneer gebruik je ‘school’?
Gebruik school wanneer je het over één onderwijsinstelling hebt. Dat kan gaan om de instelling zelf, de gemeenschap van leerlingen en leerkrachten of het schoolgebouw.
- Mijn dochter gaat naar een basisschool in de buurt.
- De school organiseert volgende week een opendeurdag.
- Onze school heeft een nieuwe speelplaats.
Ook in vaste uitdrukkingen staat meestal het enkelvoud, zoals in naar school gaan en van school komen.
Wanneer gebruik je ‘scholen’?
Gebruik scholen wanneer je naar meer dan één school verwijst.
- De gemeente investeert in drie scholen.
- Verschillende scholen nemen deel aan het project.
- De scholen uit de regio organiseren samen een sportdag.
Bij het meervoud hoort doorgaans ook een werkwoord in het meervoud: De scholen organiseren een activiteit, niet De scholen organiseert een activiteit.
Een handige tip
Vraag jezelf af of je één onderwijsinstelling bedoelt of meerdere. Gaat het om één instelling, dan schrijf je school. Gaat het om meer dan één, dan schrijf je scholen.
Voorbeelden: De school is gesloten. Maar: De scholen zijn gesloten.
Veelgestelde vragen over het gebruik van ‘school’ en ‘scholen’ in het Nederlands (BE)
- Wat is het verschil tussen ‘school’ en ‘scholen’?
- Wanneer gebruik je ‘school’ en wanneer ‘scholen’?
- Is ‘scholen’ het meervoud van ‘school’?
- Zeg je ‘de school is’ of ‘de school zijn’?
- Zeg je ‘de scholen is’ of ‘de scholen zijn’?
- Schrijf je ‘naar school gaan’ of ‘naar scholen gaan’?
- Hoe gebruik je ‘school’ en ‘scholen’ in een zin?
Wat is het verschil tussen ‘school’ en ‘scholen’?
‘School’ is het enkelvoud en verwijst naar één onderwijsinstelling; ‘scholen’ is het meervoud en verwijst naar meer dan één instelling. Je schrijft bijvoorbeeld: “De school organiseert een activiteit” en “De scholen organiseren een activiteit.” Ook het werkwoord past zich aan: bij ‘school’ gebruik je meestal een enkelvoudige werkwoordsvorm, bij ‘scholen’ een meervoudige.
Wanneer gebruik je ‘school’ en wanneer ‘scholen’?
Gebruik school als je het over één onderwijsinstelling hebt, bijvoorbeeld: “De school organiseert een opendeurdag.” Verwijs je naar meer dan één onderwijsinstelling, dan gebruik je scholen, zoals in: “Verschillende scholen nemen deel aan het project.” Let ook op de werkwoordsvorm: “De school is open”, maar “De scholen zijn open”.
Is ‘scholen’ het meervoud van ‘school’?
Ja, scholen is het meervoud van school. Je gebruikt school als je het over één onderwijsinstelling hebt en scholen als je naar meerdere onderwijsinstellingen verwijst. Bijvoorbeeld: De school organiseert een opendeurdag en De scholen organiseren samen een sportdag.
Zeg je ‘de school is’ of ‘de school zijn’?
Je zegt ‘de school is’, omdat school enkelvoud is. Het werkwoord past zich aan het onderwerp aan: De school is vandaag gesloten. Gebruik je het meervoud scholen, dan zeg je ‘de scholen zijn’: De scholen zijn vandaag gesloten.
Zeg je ‘de scholen is’ of ‘de scholen zijn’?
Je zegt ‘de scholen zijn’. Scholen is het meervoud van school, dus hoort er ook een meervoudige werkwoordsvorm bij. Bijvoorbeeld: ‘De scholen zijn gesloten tijdens de vakantie.’ Bij één school gebruik je het enkelvoud: ‘De school is gesloten.’
Schrijf je ‘naar school gaan’ of ‘naar scholen gaan’?
Je schrijft meestal ‘naar school gaan’ als je bedoelt dat iemand onderwijs volgt. In deze vaste uitdrukking staat ‘school’ in het enkelvoud, ook als je het algemeen over leerlingen hebt: ‘De kinderen gaan elke dag naar school.’ ‘Naar scholen gaan’ gebruik je alleen als je letterlijk naar verschillende scholen gaat, bijvoorbeeld tijdens een bezoekronde: ‘De inspecteur gaat deze week naar scholen in de regio.’
Hoe gebruik je ‘school’ en ‘scholen’ in een zin?
Gebruik school als je het over één onderwijsinstelling hebt en scholen als je naar meerdere onderwijsinstellingen verwijst. Bijvoorbeeld: De school organiseert een opendeurdag en De scholen uit de buurt organiseren samen een sportdag. Let ook op de persoonsvorm: bij school zeg je de school is, bij scholen zeg je de scholen zijn.

